Voorwoord van Pauline Kok

Speciaal voor het Nederlands en Vlaams publiek schreef Pauline Kok een voorwoord. Onderstaand is het te lezen. Onder aan deze pagina kunt u het verhaal downloaden.

Na vijfenzestig jaar heb ik eindelijk de moed gevonden om op te schrijven wat al zo lang mijn geest en herinnering kwelt. Het was niet eenvoudig - het was zelfs heel zwaar en ik moest er een hoge prijs voor betalen: slapeloze nachten, tranen van pijn en soms een bittere woede voor wat machteloze vrouwen en onschuldige kinderen moesten doormaken onder de handen van sadistische Japanse soldaten.

Jarenlang heb ik geworsteld met de vraag waarom ze zich zo wreed en meedogenloos gedroegen tegen vrouwen en kinderen. Toen ik meer over hun cultuur en manier van denken had geleerd, begon ik iets te begrijpen van dit conflict. De Japanse soldaten hadden een goede opleiding gekregen en waren sinds hun twaalfde getraind in militaire discipline. Ze werden geïndoctrineerd met de overtuiging dat vechten en sterven voor hun keizer en land de hoogste eer zou zijn die ze konden behalen - overgave was geen optie.

Deze trotse soldaten, gekleed in hun onberispelijke uniformen en gewapend met geweren en bajonetten, zouden nooit de kans krijgen om te vechten en sterven voor hun overtuiging. Ze moesten gevangenen bewaken; erger nog: vrouwen en kinderen. Dat moeten ze vernederend, onterend en beschamend hebben gevonden. Wij waren het slachtoffer van die gevoelens.

In de loop der jaren slaagde ik erin mijn gevoelens zo te leren kennen dat ik kon leven met wat er was gebeurd. Ik zal het nooit kunnen vergeten, en ik ben er zeker van dat dat geldt voor alle overlevenden van de Japanse concentratiekampen. Is er ruimte voor vergiffenis? Betekent het feit dat ik erover kan spreken of schrijven dat ik het heb vergeven?

Die vreselijke oorlog ligt nu vele, vele jaren achter ons. De volwassen generatie van toen is al lang geleden overleden. Mijn ouders spraken er niet over. De kinderen uit die tijd zijn opgegroeid met de zware last van mishandelingen, verdriet en angst, en die last dragen ze nog steeds.

Ik ben een van hen. We zijn nu ouder. We hebben een relatie, een gezin, velen van ons hebben kinderen. De jongsten van ons zijn nog in staat het zich te herinneren. Ons hele leven hebben we die periode meegetorst, in afgesloten laden vol herinneringen en emoties. Onze echtgenoten en partners waren niet op de hoogte van wat er zo lang geleden was gebeurd. Onze kinderen wisten het niet.

In de loop van de jaren zijn er pogingen gedaan om iets te horen te krijgen over wat er was gebeurd. En ja, sommigen van ons hebben het geprobeerd - maar ze bleven altijd op veilig terrein. Een beetje lacherig werd iets grappigs verteld. Er werd gesproken over gewone dingen, zoals het gebrek aan water op de wc - waar uiteraard ook geen toiletpapier was -, waardoor we onze handen af moesten vegen aan gras en we altijd vies waren en stonken. Of over de eindeloze regenbuien, die zeer welkom waren en kinderen de kans gaven om in de modder te spelen en te glijden tot ze eruitzagen als chocoladepoppen. Er werd gesproken over de lange barakken, waar iedereen elkaars gesprekken kon volgen, gesprekken die vaak luidruchtig en vulgair waren.

Maar de pijnlijke, aangrijpende dingen werden verzwegen: het gevaarlijk bevuilde drinkwater, de dysenterie, de oedemen en malaria-aanvallen met eindeloze dagen hoge koorts of lusteloze lethargie. De ruziënde en schreeuwende moeders, die de onzekerheid en wanhoop niet meer aankonden en hun kinderen steeds vaker sloegen en isoleerden. Het bloedende tandvlees, de etterende zweren, de gezwollen, pijnlijke buiken vol wurmen en vocht, het vernederende buigen voor de Japanse bewakers, de klappen en zweepslagen en de meedogenloze straffen, hoewel we niet wisten waarvoor we werden gestraft.

Niemand sprak over het afscheid nemen van jonge jongens zonder te weten of we ze ooit zouden weerzien. En er werd gezwegen over de luizen en de mijten, die zorgden voor ontstoken, opengekrabde plekken op onze huid, de maden, de muggen en de altijd aanwezige vliegen. Niemand had het over het uren achtereen stilstaan in de brandende zon, wachtend tot we geteld en herteld waren. Er werd niets gezegd over de moeder die bij de poort stond toe te kijken hoe haar dode kind op een open kar werd weggereden. Niets over de chaos in haar geest, de vragen achter haar ogen, de slapeloze nachten en de hysterie die steeds sterker werd tot alles tot uitbarsting kwam in de vorm van gehuil, geschreeuw en uiteindelijk bewusteloosheid.

En er werd al helemaal niet gesproken over de tijd daarna: het onvermogen om weer hoop en vertrouwen te hebben. De achterdocht, de onzekerheid en het gevoel minderwaardig te zijn, het niet in staat zijn te praten over die ellendige jaren. We leefden dag in, dag uit met onze nachtmerries, onze altijd aanwezige angst, onze eenzaamheid, onze wanhoop en onze gedachten aan zelfmoord. We worstelden in ons eentje. Er zijn een paar films gemaakt over de kampen, maar die komen nog niet in de buurt van hoe het werkelijk was. Tot op de dag van vandaag heeft Japan deze gruwelijkheden en oorlogsmisdaden nooit toegegeven. Dat is niets nieuws.

Zoals ik al zei, heeft het me veel moeite gekost om dit boek te schrijven, maar de wens om de jongere generatie bewust te maken van wat er al die tijd geleden is voorgevallen, bleek sterker. Dit is een deel van de geschiedenis dat ontbreekt en door Japan niet wordt erkend. Ik heb er nooit over gesproken. Mijn man en kinderen wisten niet dat mijn jeugd eindigde toen ik negen was. Maar ondanks al ons zwijgen voel ik ergens vanbinnen de vaste overtuiging dat wij, de overlevenden van de kampen, de oorlog hebben gewonnen. En dat dit deel van de geschiedenis nooit vergeten zal worden.

Pauline Kok, maart 2013

  • Uitgeverij Boekerij is onderdeel van samenwerkende uitgeverijen Meulenhoff Boekerij